Ipswich

 

Over het wel en wee van de Nederlandse gemeenschap in Ipswich aan het begin van de jaren 70 van de 16e eeuw is helaas weinig bekend. Er zijn slechts een beperkt aantal brieven van de Londense Kerk bewaard gebleven waarin informatie over Ipswich is te vinden. Hieruit blijkt dat er in 1571 slechts tien tot twaalf gereformeerde gezinnen woonachtig waren maar tevens een aantal personen die niet tot de Gereformeerde religie behoorden. De positie van deze kleine groep Nederlanders was erg wankel omdat hun aanwezigheid niet expliciet door de Koningin was goedgekeurd via een patent zoals dat in andere Engelse steden wel het geval was. Alle Nederlanders waren louter op de welwillende medewerking van het Ipswichse stadsbestuur aangewezen.

De ‘dienaar des goddelijks woords’ in Ipswich was Michael Ephippius of Panneel.

De eerstbekende brief van de Ipswichse gemeenschap is van hem afkomstig en werd op 21 september 1571 geschreven.

Hieruit is wat betreft Cornelis de Hooghe weinig lering te trekken. De onderwerpen zijn een aanstaande synode en verder wordt uitgelegd dat de gemeenschap te Ipswich eerder zal afnemen dan groeien omdat de Nederlanders, vanwege hun status geen gheen

ghestablisseerde neerrynghe’ mochten uitoefenen, kortom het was hun praktisch verboden om te werken (brief 109). Dit onderschrijft de aanname dat De Hooghe daar alleen met illegale praktijken rijk kon worden. De rest van de Nederlandse gemeenschap in Ipswich die zich wel aan de wet hield was als een armetierig zooitje te omschrijven.

Dit bleek dan ook op 11 mei 1572 toen er een nieuwe brief werd geschreven en wel vanuit Ipswich naar de Gereformeerde kerk te Londen. Het onderwerp van deze brief was een bede van Mr. Ambrosius Hubrechts om aan de bevrijding van de Nederlanden bij te dragen. Het antwoord was, dat er onder vijf of zes huishoudens omtrent 12 of 13 pond sterling was opgehaald. Ook is er sprake van vijf of zes gezellen die van Ipswich naar Den Briel getrokken waren, naar later blijkt, vermoedelijk als soldaat. Te Ipswich was men dus goed op de hoogte van de situatie aan de andere kant van de Noordzee. Den Briel was immers pas enkele weken eerder, op 1 april van dat jaar, door de Watergeuzen ingenomen.(brief 114)

Op 14 mei 1572 gaat er nogmaals een brief van Ipswich naar Londen, waarin de gemeenschap te Ipswich verklaart dat er bovenop de eerdere som, een extra twee pond en zes shilling is opgehaald, waarbij het toaal komt op 15 pond zes shilling. Het geld zal door een zekere Jan Rademaker naar Londen worden gestuurd omdat er te Ipswich gheen volck en is die wij konden oprusten meer dan drije mannen, dye wij alreede buten de voorseide sommen opghestelt ende naer den Bryel ghezonden’. Het geld zou dus niet worden gebruikt om soldaten uit eigen Ipswichse gelederen uit te rusten. Deze personen waren toch niet voorhanden, zodat de Kerk te Londen het opgehaalde geld naar eigen goeddunken mocht besteden.

Jan Rademaker, ook wel met zijn latijnse achternaam Rotarius aangeduid, is vermoedelijk een intieme vriend van de Antwerpenaar Abraham Ortelius die tot de cirkel van Mercator, Plantijn en Galle behoorde. Het heeft er alles van weg dat deze Jan Rademaker te Ipswich woonachtig was of er in ieder geval de weg wist. Dit duidt erop dat De Hooghe te Ipswich nog steeds nauwe contacten onderhield met de Antwerpse kring van kaartmakers, wellicht de reden waarom de opdracht tot het maken van de Norfolk kaart van de Elisabeth Atlas aan hem werd gegund.

Interessant zijn de hierop volgende opmerkingen waarin een aantal namen van Nederlandse inwoners van Ipswich worden genoemd. Bovendien wordt erbij vermeld dat lang niet alle Nederlanders de Gereformeerde Kerk toebehoren en dat dezen daarom geen geld hebben gegeven.

‘Nyemant vutghenomen, dan ettelicke dije van onser kercken niet en zijn : Met 4 namen, eenen Jan Carsayr, die ons ende oock V Lieden commissaris voor andere gaf dat liijt niet en badde voor dese tijt, belovende hier naer zyn debuoir te doene. Item eenen Jooris Mellyngh, die hier ontrent vyftich ofte meer ìaren gbewoont heift, ende nochtans zijn goet daer hij op leeft tot Andwerpen ende Berghen op Zoom heift, gaf ons voor andere, dat hij niet en wiste waervooren hij ijet geuen zoude, want hij een vrij Denis is van desen Lande. Item Willam Juyner, oock een die hier langhe ghewoont heift, ons verclarende dat hijts niet en hadde.’

Het woord ‘ettelijken’ toont aan dat er te Ipswich een relatief groot aantal Nederlanders was die tot een andere kerk dan de Gereformeerde behoorde. Het is goed mogelijk dat Cornelis de Hooghe tot deze groep Nederlanders mag worden gerekend. Het moet een vreemde situatie zijn geweest dat De Hooghe, vermoedelijk als doopsgezinde of mennoniet, als een vorst te Ipswich leefde terwijl de leden van de Gereformeerde kerk met z’n allen moeite hadden 15 pond en zes shilling bij elkaar te harken.

Het is wel duidelijk dat er van contacten tussen beide groepen Nederlanders sprake was, want de hier genoemde Jan Carsayr was een handelspartner van De Hooghe die onder de naam Jan Carrier in de gerechtelijke stukken van XXXX is terug te vinden. Ook tot de Gereformeerde kerk behoorde de armlastige Jooris Mellingh. De twee andere personen waren wel van de Gereformeerde kerk, maar woonden al zo lang in Ipswich, soms al meer dan 50 jaar, dat zij geen reden zagen om geld voor de bevrijding van de Nederlanden te spenderen.

Op 26 februari 1573 schrijft de Prins van Oranje een gecombineerde brief aan de Nederlandse Kerken in Engeland (Londen, Norwich, Sandwich, Maidstone, Colchester, Ipswich en Thetford), de volgende dag gevolgd door een klaagbrief van de Prins aan de gemeenschappen in Norwich, Thetford en Ipswich, omdat zij weinig animo zouden hebben voor de zaak van hun geloofsgenoten in de Nederlanden en met hierin tevens een aansporing om genereuser te zijn en vertrouwen te hebben in Lieven Calvaert, de boodschapper van de Prins die deze laatste brief uitreikte. (brief 125)