Jan van Schille

 

In 1573 gebeurt er iets vreemds: Gerard de Jode, cartografisch uitgever te Antwerpen geeft een boek uit waarop de naam Hans van Schille voorkomt als auteur. Het boek bevat nauwelijks tekst maar wel 14 afbeeldingen van fortificaties en een lange, in gebrekkig Duits gestelde titel: Form und weis zu bauwen... allerley wehrliche vestung Schlosser Burgen und Stedt.... Antwerpiae apud Gerardum de Iode 1573. Mr Hans van Schille Ingenieur et geographe inuentor.

Het vreemde eraan is dat de helft van de afbeeldingen ook is terug te vinden in het boekwerk dat Cornelis de Hooghe graveerde voor Margaretha van Parma, onder leiding van de Italiaanse kapitein De Marchi, getiteld : Della architettura militare del capitanio Francesco de' Marchi, bolognese, gentil' huomo romano, libri tre.nelli quali si descrivono li veri modi, del fortificare, che si usa a' tempi moderni. Con un breve, et utile trattato, nel quale si demostrano li modi del fabricar l' artigliaria, et la prattica di adoperarla, da quelli che hanno carico di essa. Opera novamente data in luce. In Brescia. MDXCIX. Appresso Comino Presegni. ad instanza di Gasparo dall1 Oglio. Betalingsbewijzen voor de vele platen die De Hooghe graveerde zijn gevonden in 1566 en 1567. Het boek van De Hooghe verscheen voor het eerst in 1599 en wel in het verre Brescia.

Op de een of andere wijze moet Jan van Schille, ook wel Hans van Schille genaamd, in 1573 en dus ruim voor de publicatie in 1599 de beschikking hebben gehad over de gravures van De Hooghe en deze in zijn eigen boek hebben kunnen invoegen.

 

Jan van Schille kwam uit een familie van Antwerpse schilders. Zowel Hans als zijn vermoedelijke vader Henri zijn in het Antwerpse St. Lucasgilde terug te vinden, zijn vader als glasschilder. Waarschijnlijk was Jan/Hans eerder tekenaar dan schilder. Een intrigerende tekening van hem is terug te vinden in een liber amoricum voor de in circa 1545 geboren koopman en humanist Johannes Vivianus.

Een bijzondere episode uit het leven van Jan van Schille doet zich voor als hij meewerkt aan een boekje over de Spaanse Inquisitie in het jaar 1567. Hierin werden de gruweldaden van dit instituut beschreven, ter lering van het volk. De medewerkers eraan, de drukker Gielis van Diest, uitgever Hans van Bauhausen en tekenaar Hans van Schille hadden de goedkeuring van het hof om dit boek uit te brengen, maar de katholieke kerk nam aanstoot aan dit werk en zorgde ervoor dat de makers met de sterke arm der wet te maken kregen. Gielis van Diest werd op 23 augustus 1567 van zijn bed gelicht en uiteindelijk tot zes maanden verbanning uit de stad Antwerpen veroordeeld. Tekenaar Hans Schille en uitgever Hans van Bauhausen werden welgedagvaard, maar zijn niet voor de rechter verschenen. Hoe het met de graveur Jan Molijns van dit werkje dat ‘en concert van den hove’ was gemaakt, is afgelopen, is niet bekend.

Uit dit voorval zijn verscheidenen conclusies te trekken: Hans Schille was binnen dit project als tekenaar werkzaam die de ontwerpen voor de graveur Jan Molijns maakte. Hans Schille had daarnaast enige directe of indirecte connecties met het hof, voldoende in ieder geval om aan een privilege te komen. Hans Schille was bekend met het hof toen ook De Hooghe in opdracht van dit hof aan het boek voor De Marchi werkte.

De veronderstelling dat Jan van Schille De Hooghe heeft gekend en wellicht nauw met hem heeft samengewerkt is plausibel. Het is uit het bovenstaande voorval bekend dat Van Schille als intermediair werkte die de getekende ontwerpen maakte ten behoeve van de graveurs. Het is goed mogelijk dat Van Schille ook de ideeën van kapitein De Marchi op het gebied van vestingbouw in schetsen omzette, die vervolgens door De Hooghe in de koperen plaat werden gesneden.

Het is verder bekend dat met de komst van Alva de landvoogdes Margaretha van Oostenrijk al snel afstand deed van haar bevoegdheden en dat ook het project van De Marchi, dat onder haar protectie stond, snel werd beeindigd. Vanaf de komst van Alva speelde noch Margaretha, noch De Marchi, noch De Hooghe verder nog enige rol van betekenis aan het hof en het boek van De Hooghe en De Marchi werd dan ook pas na meer dan 30 jaar uitgegeven, toen beide heren al lang waren overleden. Het is niet onwaarschijnlijk dat Van Schille over enige (proef)drukken van de platen van De Hooghe beschikte, die omstreeks 1567 waren gemaakt.

Na het van het toneel verdwijnen van Margarethe, De Marchi en De Hooghe die in die tijd in Engeland woonde, moet Van Schille het idee hebben gekregen dat hij zich in plaats van als tekenaar, ook als vestingbouw-deskundige kon opwerpen. Daartoe heeft hij in 1573 een wat overhaast in elkaar gedraaid boekje op de markt gebracht, zonder zich te storen om het feit dat hij aan het pronken was met de veren van De Hooghe. Overigens was hij ook aan het pronken met de veren van De Marchi. Deze laatste zal hem, na het laten tekenen van bijna 200 vestingontwerpen automatisch ook de nodige inzichten hebben verschaft in de fijne kneepjes van de vestingbouw. Het gat dat De Marchi, die Margaretha altijd overal trouw volgde, in de Lage Landen achterliet kon dus inderdaad worden opgevuld door Jan van Schille.

Daarnaast beschikte Van Schille ook over geografische kwaliteiten door de samenwerking met onder andere Ortelius, die Joannes Scillius Antwerpianus’ hoog roemt in zijn ‘Itinerarium per nonnullas Galliae Belgicae partes’.

Verder was de geografische kennis van Van Schille in 1573 ook al zo groot dat hij op 26 april van dat jaar een opdracht kreeg van de hertog van Lotharingen om de tekening af te maken van het hertogdom die door Gerard en Bartholomeus Mercator was begonnen. Ook cartograaf De Jode nam in zijn belangrijke werk Speculum een paar werken van zijn landgenoten op, waaronder kaarten van Trier en Luik van de hand van Jan van Schille.

Van Schille had dus al in het circuit van de Antwerpse cartografen voldoende geografische kennis opgedaan om zich geograaf te mogen noemen, maar de uitbreiding van zijn beroep tot ‘geograaf-ingenieur’ zal ongetwijfeld samenhangen met de werkzaamheden die hij samen met De Hooghe verricht heeft aan het boek van De Marchi. Opgemerkt moet worden dat in die dagen de titel ‘ingenieur’ bij uitstek een militaire titel was en dus het bouwen van vestingen betrof.

Van Schille werkte hard aan zijn reputatie van vestingbouwer. In 1580 komt hij met een tweede boek, getiteld ‘Manière, de bien bastir edifier, fortifier, & munir Chasteaux, forteresses, villes & autres Places. A l’instruction & utilité des Amateurs d’Architecture, Antwerpiae apud Gerardum de Jode 1580. Mr. Hans van Schille Ingenieur et geographe inuentor.’ waarbij hij zichzelf dus ingenieur, geograaf en inventor noemt. Deze tweede uitgave bevat geen 14 maar wel 61 koperplaten, ter grootte van een dubbele bladzij, afgezien van de eerste drie. Deze gehele serie van platen is ook opgenomen in een Leidse uitgave van Simon Stevin te Brugge, die in 1594, dus nog steeds voor de uitgave van De Hooghe’s werk voor De Marchi het licht zag, De Sterctenbouwing, Beschreven door Simon Stevin van Brugghe, tot Leyden By Francoys van Ravelenghien  MDXCIV.

Deze tweede uitgave verscheen bij de Antwerpse uitgeverij van Theodore Galle, de zoon van Philips Galle, de leermeester van Cornelis de Hooghe.

Deze aanpak legde Jan van Schille geen windeieren want hij wordt al snel tot ingénieur géographe du roi bevorderd. In deze hoedanigheid werkte hij in 1577 samen met Hans Vredeman de Vries aan de vestingwerken rond Antwerpen en met name aan de citadel.

Jan van Schille zal omwille van zijn status zijn achtergronden enigszins hebben moeten verloochenen. In de jaren 1560 wordt hij vermeld als lid van het rederijkers gezelschap waarvan ook meer vrijzinnige tijdgenoten lid waren. Rond 1480 was de rederijkerskamer ‘Violieren’ namelijk samengegaan emt het schildersgilde van St. Lucas, zodat er iets ontstond dat het ‘rhetorijcklicke Schilder-Gildt van Antwerpen’ werd genoemd. In deze gecompliceerde kamer was Jan van Scorel als musicus, dichter en redenaar actief. Andere leden in de jaren 1560 waren Maarten de Vos, Hieronymus Cock, Vredeman de Vries, Ortelius en Gilles Hooftman, allemaal personen uit de omgeving van Christoffel Plantijn. Velen van hen worden er van verdacht in verband te staat met het geheime genoodschap van Het Huis der Liefde. Of Jan/Hans van Schille ook tot dit genootschap behoorde is onbekend, maar hij vervulde wel de hoge functie van secretaris binnen de Violieren.

Uit het bovenstaande blijkt dat het waarschijnlijk zo is dat ook Cornelis de Hooghe, op z’n minst door de samenwerking met Jan van Schille, zeer goed bekend was met vele leden van het Huis der Liefde, met de entourage van Christoffel Plantijn en met de beroemde Antwerpse cartografen van zijn tijd, waaronder Ortelius maar ook Jan Schille zelf.

Uit het feit dat Schille een albuminscriptie verzorgde in het boek van Vivianus geeft aan dat er tussen dze beide personen een hartelijke relatie bestond. Het is verder bekend dat Vivianus ook bevriend was met de kring van Ortelius, Mercator, Van Meteren, Hoefnagels en Radermacher, de voorman van de Nederlandse Gereformeerde kerk in Londen die onder andere bij De Hooghe in Ipswich geld kwam ophalen voor de ‘ghemene saek’. Deze onderlinge relaties zijn uitvoerig beschreven in Bonis in Bonum van Karel Bostoen.