Kinderen van Cornelis de Hooghe

Dat Cornelis de Hooch getrouwd was, weet Bor ons met zekerheid te vertellen, en wel dat hij een rijke vrouw tot echtgenote had waarmee hij door kon gaan ver boven zijn stand te leven. Zijn trouwakte is te Rotterdam gevonden, waar "Cornelis de Hoge" op 6 april 1574 in het huwelijk treedt met "Maertgen Cornelis" (Tromper) een telg uit het Rotterdamse regentengeslacht Tromper, waarmee Bor dus eens te meer gelijk blijkt te hebben gehad. Uit dit huwelijk zijn zeker enkele kinderen gesproten, waarvan de namen helaas onbekend zijn. Verderop zal worden betoogd dat dit vermoedelijk de schilders David en Charles de Hooch zijn. Vooralsnog bestaat er slechts een Rotterdamse akte van 5 mei 1597, dus 14 jaar na de onthoofding van Cornelis de Hooch met de volgende gegevens:

Aeryaen Pietersz Tromper en Dirck Barentsz, voogden over de kinderen van Cornelis de Hooch en Marritgen Cornelisdr Tromper, machtigen Maerten Rosa, procureur, om hun zaken waar te nemen.

Deze voogdij van Maerten Rosa over de kinderen van Cornelis de Hooghe moet een belangrijke scheiding tussen deze kinderen en de familie Groenhout hebben betekend. Cornelis Dircxsz Groenhout, de broer van Maritje, de vrouw van Cornelis de Hooghe, schenkt bij zijn overlijden namelijk gelden aan zijn eigen kinderen, Esaias, Lucretia en Niesgen. Zijn vrouw Margriete van Nes krijgt bij zijn overlijden de kostbaarheden en de inboedel. Cornelis Dircxsz denkt ook nog aan zijn zus en haar gezin. Hij vermaakt een lijfrente aan de kinderen van Maritje bij haar tweede man, de kinderen Dirck Borrewijnsz en zijn zus Annitgen Borrewijnsdr, maar aan de kinderen van Cornelis de Hooghe bij diezelfde zus wordt geen letter besteed.

Het Haagse klepper-boek van 1604 vermeldt een Davidt Cornelis, schilder. Hierbij ontbreekt de achternaam De Hoogh(e). Het is zeer wel mogelijk dat deze schilder Davidt Cornelis dezelfde persoon is als de schilder David (Cornelisz) de Hooch van wie de kunstkenner De Kinkelder, verbonden aan het RKD, opmerkt: “gezien de verwantschap van zijn vroege werk met Utrechts werk van Charles de Hooch moet een verblijf in deze stad mogelijk worden geacht. Het valt bovendien niet uit te sluiten dat David een zoon van Charles is.” Zo snel valt deze conclusie evenwel nog niet te trekken. Er bestonden in de eerste jaren van de 17e eeuw in Den Haag namelijk verschillende David Cornelissen die het schildersvak uitoefenden, waaronder een uitgebreid gedocumenteerde schilder David Cornelisz Scheveninck. De Davidt Cornelisz uit het Haagse klepperboek kan evenwel onmogelijk de schilder Davidt Cornelis Scheveninck zijn ( een zoon van de schilder Cornelis Claes Scheveninck ). Op 22 july 1603 wordt er namelijk een notariele akte opgesteld waarin "de kinderen van Meester Davit Cornelis zaliger, schilder" worden vermeld. De op leeftijd zijnde Davidt Cornelis Schevenink is dus een jaar voor de vermelding van Davidt Cornelis (de Hooghe) in het klepperboek overleden. Davit Cornelis Schevenink kwam overigens voort uit een uitgebreide familie van kunstenaars: Het Repertitorium van Kaartmakers vermeldt verscheidene schilders/kaartmakers die onderling aan elkaar verwant kunnen zijn. Cornelis Claesz, alias Cornelis de Schilder werkte vanaf 1538 voor de Rekenkamer van Holland, woonde op 't Kerkhof en maakte in 1540-41 een kaart van Wieringen. Vermoedelijk is dit Cornelis Claesz Scheveninck, de vader van David Cornelis Scheveninck. Maar daarnaast vermeldt het Repertitorium ook nog een Cornelis Cornelisz die grote overeenkomsten met de laatstgenoemde vertoont. Ook Cornelis Cornelisz was een tekenaar/schilder in den Haag, wonende in de Spoestraat (Spuistraat) en eveneens werkzaam voor de Rekenkamer van Holland in 1529 en hij maakte een kaart van de Biesbosch in 1537, wellicht was hij een neef van Cornelis Claesz Scheveninck

Cornelis Claesz wordt ook in het "Den Haag in de Geuzentijd" van Jacob Smit vermeld en wel als hij, nadat hij door een beschildering van het Haagse stadhuis de aandacht op zich had gevestigd, opdracht kreeg de Galerij van de Grote Boomgaard met zes vakken te beschilderen, voorstellende de zes zomermaanden April t/m September. Hiermee was hij, samen met 2 jongens van de 28e April tot en met de 6e September 1570 bezig, waarvoor hij 160 pond ontving.
Het is onmogelijk dat Davidt Cornelis Schevenink in 1604 nog leefde.De in 1604 in het Klepperboek vermelde Davidt Cornelis lijkt dus de nog jeugdige Davidt Cornelis de Hooch te zijn die we later met zijn volledige naam in akten zullen aantreffen. Van David de Hooch zijn werkzaamheden bekend tussen 1639 en 1655 (het laatste jaar door De Kinkelder geschat).


David de Hooch bron: Oud Holland, Volume 110

Als David de Hooch inderdaad dezelfde persoon is als de schilder Davidt Cornelis die in 1604 in den Haag wordt vermeld, is de aanname van De Kinkelder echter ten dele onjuist. Dan werkte David al sinds 1604 als schilder. Ook een andere aanname van De Kinkelder lijkt wat genuanceerd te moeten worden. Aangezien Charles de Hooch voluit Charles Cornelis de Hooch heet en dus een zoon van ene Cornelis de Hooch is, lijkt het eerder dat Charles en Davidt geen vader en zoon maar twee broers waren, beide zoons van de veroordeelde graveur Cornelis de Hooghe. Neem daarbij dat Charles op 2 juli 1638 werd begraven (Willigen) danwel op 2 juli 1638 is overleden (brief dr. J.E.A.L. Struick, archivaris bij het Gemeentelijk Archief, Utrecht, november 1972), dan heeft het er alles van weg dat David, voorafgaand aan de dood van zijn broer Charles, wellicht werk deed voor zijn broer en dat David in1638-1639 na de dood van zijn broer geheel in de stijl van Charles onder zijn eigen naam Davidt de Hooch is verder gegaan.
In een inventaris van Barthelomeus Gennep te Haarlem (1639) komen twee "banketjes" van een De Hooghe (ook de Hoogh) voor. Het is niet onmogelijk dat het hier om de nog jonge David de Hoogh gaat.



Overigens is David de Hooch nog een aantal keren in de Haagse notariele akten en kerkboeken terug te vinden. Met name zijn huwelijk is gevonden evenals de geboorte van zijn zoon Michiel, vernoemd naar de vader van David’s vrouw. Ook dit is een aanwijzing. Indien het juist is dat David een zoon is van de graveur Cornelis de Hooghe, zal hij zijn vader nauwelijks gekend hebben en zal er dus weinig reden geweest zijn het kind naar de grootvader van vaderszijde en dus naar Cornelis de Hooghe te vernoemen. Bovendien zal de naam Cornelis de Hooghe mogelijk nog altijd min of meer beladen zijn geweest. Een vernoeming naar de grootvader van moederskant is dus verklaarbaar. De vrouw van David de Hooch is Maria de Mist, een dochter van de in 1607 gehuwde Michiel de Mist en Heyltjen Jans van Kinschoten.
Niet vergeten mag worden dat de kinderen van Cornelis de Hooghe in 1597 aan de zorgen van Maerten Rosa te Den Haag waren toevertrouwd. De Rosa’s waren in Den Haag verre van onbekend. In het Haagse belastingkohier van 1627 wordt Maerten Rosa als griffier van de Hoge Raad genoemd met een bezit van 30.000 gulden waarover hij 60 pond moest betalen. Zjin broer Hendrik Rosa was Raetsheer aan het Hof van Holland, bezat 50.000 gulden en betaalde dientengevolge 100 pond terwijl broer Cornelis Rosa secretaris aan het Hof van Holland was en 25.000 gulden bezat en 50 pond moest betalen. Het is dus niet verbazingwekkend dat de kinderen die aan de Rosa’s waren toevertrouwd hun bruid in ditzelfde milieu vonden.

David’s schoonvader, Michiel de Mist, was een Haagse procureur, verbonden aan het Hof van Holland. Andere familieleden, zoals Gerrit de Mist, worden in 1623 als deurwaarder vermeld. Maria’s vader, de procureur Michiel de Mist (op 15 mei 1626 45 jaar oud) heeft onder andere nog voor de grote schrijver P.C. Hooft gewerkt, maar dit terzijde. Hij had een broer Anthony de Mist en een min of meer beroemde oom Johannes Uytenbogaert, een veelbesproken remonstrantse “dienaer van het Godlicks Woorts alhier” ten tijde van de hoog oplaaiende godsdiensttwisten tussen remonstranten en contra-remonstranten. Enige vragen roept de geboortedatum van Davids vrouw Maria de Mist op. Aangezien haar ouders in 1607 huwden, zal zij in of na dit jaar geboren zijn. Aangenomen dat het juist is dat David de Hooch een zoon is van de in 1583 onthoofde Cornelis de Hooghe, dan zal er van een leeftijdsverschil van minimaal 24 jaar tussen de echtgenoten sprake zijn geweest, wellicht doordat Maria de Mist de tweede vrouw was van David de Hooch. Er is in ieder geval maar één kind van dit echtpaar gevonden, geboren in 1644, en de laatste levenstekens van David zijn een Amsterdams notarieel contract van 1651 en werken met een geschatte datum van 1655, dus mogelijkerwijze was David inderdaad meer op leeftijd dan zijn vrouw.

Om tot nog toe onbekende redenen heette de familie De Mist in vroegere generaties geen De Mist maar De Paep. De naamswisseling vindt plaats tussen de schoonvader van David de Hooch en een generatie daarvoor. Dit maakt dat de grootvader van Marie de Mist, Jan Gerrits de Paep heet. Ook zijn broer gebruikt de achternaam de Paep, evenals hun vader Gerrit Jansz de Paep. Hij staat te boek als Gerrit Jans de Paep, procureur van de vierschaar. Er is wel een persoon bekend die vermoedelijk de vader van deze Gerrit Jans is, ofschoon de bronnen aan het begin van de 16e eeuw zeer fragmentarisch worden. De rekening van de verbouwing van het Haagse Binnenhof in het jaar 1511 is namelijk bewaard gebleven en hierop komt de naam van Jan de Paep voor, vermeld als schilder. Ook het Repertitorium van Kaartmakers vermeldt deze Jan (Jansz) de Paep of Pape als tekenaar en schilder, die vanaf 1515 of zelfs eerder voor de Rekenkamer van Holland werkte als cartograaf. Hij is overleden in of voor 1534. Qua leeftijd is deze schilder/cartograaf zeer wel in staat de vader van de procureur Gerrit Jansz te zijn. Michiel de Mist wordt in 1626 45 jaar oud genoemd en is dus omstreeks 1581 geboren. Zijn vader zal wellicht 25-30 jaar eerder geboren zijn, dus in circa 1551-1556. Gerrit Jansz zijn vader zal dan omstreeks 1521-1531 zijn geboren, dus rondom de tijd dat de schilder/cartograaf werkzaam was en ruim voor zijn overlijdensdatum van 1534. Gerrit Jansz zelf wordt in 1578, 1583 en 1584 in een juridische gijzelingskwestie genoemd, waarbij hij de naam De Paep gebruikt. Daarnaast komt hij op 23 juni 1564 voor bij de verhuur van het huis van zijn buurman die woonde naast het stadhuis van Den Haag. Gerrit Jans de Paep woonde zelfs dus ook niet ver van het stadhuis en de status van de partijen van de huurakte: Cornelis van Aecken en Jacob van Dorp, schepenen in Den Haag en Jan van Dorp Willemsz. schout van Monster, inwoner van Den Haag, doen vermoeden dat Gerrit Jansz de Paep een welgesteld man was die in de hoogste Haagse kringen verkeerde.
Dan is er nog een bijzonderheid omtrent de wat duistere persoon van Arent de Paep, deurwaarder te Den Haag. Deze Arent zou volgens het wat onduidelijk ingedeelde klepperboek van 1605 in de Papestraat gewoond kunnen hebben. Na de terugkeer van de diverse regerinsgsinstanties uit Delft terug naar Den Haag in 1577, werd Jan de Paep, vader van Anthony de Mist en broer van Arent de Paep (Jan en Arent de Paep waren beiden deurwaarders) met het beheer van de in 1572 verlaten huizen belast. Zoals gezegd wordt op 13 september 1630 in de notariele akten een Jan de Paep vermeld, deurwaarder en vader van Anthony de Myst, de oom van Maria de Mist, op haar beurt de vrouw van David de Hooch. Arent de Paep is darrmee familie van de familie de Hooch.

Charles de Hoogh

Wat betreft Charles is de bij het RKD met ruime marge vermelde geboortedatum 1595-1615 met grote waarschijnlijk onjuist. In het gekste geval zou Charles daarmee niet ouder zijn geworden dan 23 jaar en in 1620 reeds op 5-jarige leeftijd zijn eerste werk hebben geproduceerd. Meer in de lijn der verwachtingen ligt dat Charles vele decennia eerder is geboren en daarmee komt een geboorte van vóór het jaar 1583 en dus een afstamming van de ter dood gebrachte Cornelis binnen handbereik. Een leven van Charles tussen vóór 1583 totaan zijn dood in 1638 heeft niets excessiefs. Hij zou dan minstens de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt en dit lijkt veel waarschijnlijker dan de door het RKD vermelde geboortedatum van cicra 1595-1615 totaan de datum van overlijden in 1638, wat een overlijden op een 23 tot 43-jarige leeftijd zou inhouden. Om onduidelijke redenen vermeldt


Charles de Hooch, bron Oud Holland volume 110

het RKD voor Charles de Hooch wel als mogelijke geboorteplaats Den Haag voorzien van een vraagteken, wat inderdaad als zeer waarschijnlijk aangemerkt kan worden. Aangenomen dat het Rotterdamse huwelijk van Cornelis de Hooghe op 6 april 1576 het enige huwelijk is geweest en dat hij in Engeland niet gehuwd was, zullen David en Charles vermoedelijk tussen 1576 en 1583 en mogelijk te Rotterdam geboren zijn, ofschoon de doopaktes hier niet gevonden zijn.

De louter op grond van stijlkenmerken ook wel geopperde geboorteplaats Haarlem is onwaarschijnlijk. Charles’ vermoedelijke vader Cornelis de Hooghe leerde het etsen bij Philips Galle in Haarlem, ofschoon hij in Den Haag geboren was. Tussen plaats van geboorte en plaats van opleiding zit niet zelden een aanzienlijke afstand. Resumerend kan men stellen dat niets tegenspreekt dat de ter dood veroordeelde etser Cornelis de Hooghe de vader is van zowel Charles Cornelisz de Hooch als van David (Cornelisz) de Hooch, en bestaan er voor deze aanname vele interessante aanwijzingen. Zo wordt Charles Cornelisz de Hooch in sommige bronnen ook “radierer” genoemd. Hij beheerste dus het graveervak. De afstamming van de graveur Cornelis de Hooch ligt daarmee uiterst voor de hand.
Als laatste aanwijzing voor de afstamming van David en Charles van de etser Cornelis de Hooch mogen de voornamen David en Charles fungeren. Zeker de naam Charles komt men in Nederland zeer zelden tegen. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat Charles (of Karel) de oudste zoon was. Sommige bronnen zien hem zelfs voor de vader van David aan en Charles is zeker als eerste van de twee overleden. De oudste zoon werd in de regel naar de grootvader van vaders zijde genoemd. In het geval van Cornelis de Hooghe was dit Karel V, in het frans bekend als Charles Quint. Dat de oudste zoon van Cornelis de Hooghe dus Charles of Karel Cornelisz de Hoogh heet is dus volledig strokend met hetgeen verwacht mag worden en daarmee een aanvullende aanwijzing voor zowel de these dat Cornelis de Hooghe een zoon van Karel V is als van de these dat Charles de Hoogh een zoon van Cornelis is.

De naam David is noch binnen de familie Tromper noch binnen de familie Van der Hooch of De Hooghe aanwezig. Wellicht dat David de Hoogh naar de bijbelse koning David is genoemd, een onopvallende schapenhoeder die evenwel tot koning werd gezalfd en (niet te vergeten) de reus Goliath met zijn slinger wist te vellen. Het is niet ondenkbaar dat Cornelis de Hooghe zichzelf als een eenvoudige schapenhoeder heeft gezien die eigenljik koning had moeten zijn en deze analogie middels de naam van zijn tweede zoon tot uiting heeft willen brengen. De Hooghes lijfspreuk “altijdts vernederd, nochthans De Hooghe” had immers ook op koning David van toepassing kunnen zijn.

Daarmee zijn de familierelaties van de ter dood gebrachte etser Cornelis de Hooch uitgewerkt, behalve de vermelding van de mogelijkheid dat Horatio de Hooch (die tussen 1652 en 1686 te Utrecht werkzaam was) een nakomeling van David dan wel Charles kan zijn en daarmee dus tevens van de ter dood gebrachte etser Cornelis de Hooch. Horatio’s werkzaamheden op het gebied van de italianiserende landschappen en zijn verblijf in Utrecht doet zulks sterk vermoeden, maar deze vraag is in deze studie is niet uitgediept.
Tevens moet worden opgemerkt dat de Utrechtse familie van waaruit de vrouw van Charles de Hooch spruitte exact overeenkomt met die van de Haagse families De Hooch. De families Van Dael die in Charles’ testament van 1635 wordt genoemd kende een Clemens van Dael, advocaat aan het Hof van Utrecht en een George van Lamsweerde, advocaat en domheer. De eveneens in het testament van Charles genoemde familie Coesvelt kende een Cornelis van Coesvelt, procureur aan de Hove van Utrecht, een Johannes van Hooft, advocaat aan het Hof van Utrecht en een notaris Hendrik van Zuylen, geadmitteerd, niet aan het Hof van Utrecht, maar zelfs aan het Hof van Holland en daarmee vermoedelijk een zeer goede bekende van de familie Rosa, de pleegouders van Charles.

Conclusies

Cornelis de Hooghe was dus mogelijk de vader van zowel de italianiserende schilder Charles Cornelisz de Hooch als van zijn broer en opvolger David (Cornelisz) de Hooch. Of nog andere kunstenaars met de naam De Hooch, zoals Jacob de Hooch en Horatius de Hooch van dezelfde familie deel uitmaakten is niet duidelijk geworden. Zij zouden hoogstens de kleinkinderen van Cornelis de Hooghe kunnen zijn en aangezien Cornelis de Hooghe zelfs zijn eigen kinderen maar enkele jaren gekend zal hebben, zullen de kleinkinderen voor hem van weinig betekenis zijn geweest.


Schilderij van Horatius de Hooch