Kennissenkring

De Hooghe en andere kaartmakers

Waarom Cornelis de Hooghe één van de kaarten van de Elisabeth Atlas heeft gemaakt is tot nu toe niet bekend. Hij woonde ogenschijnlijk tamelijk alleen, ver weg van het hof te Londen in het kleine vissersplaatsje Ipswich.
In de Ecclesiae Londino is echter te lezen (pag 409) dat Jan Rademaker in 1572 bij de Nederlandse Gereformeerde gemeente te Ipswich gelden ophaalt “voor de gemene zaak”, dus voor de strijd tegen Spanje. Deze Jan Rademaker, behalve Radermacher ook in het latijn Rotarius genaamd, was een intieme vriend van de cartograaf Ortelius en een van de belangrijkste personen van de Londense Nederlandse Gereformeerde gemeente, die nog ver in de jaren 1580 met deze Nederlandse kerk in contact zou blijven staan.
Jan Radermacher was ook een goede vriend van de Antwerpse kunstschilder Joris Hoefhagel die al in 1569 in Engeland verbleef. Rademacher redde hem in Londen uit moeilijke omstandigheden. Als dank schilderde hij het 'Vriendschapsschilderij' uit 1589, dat thans in het Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam hangt. Hoefnagel heeft vooral naam gemaakt in Praag, waar hij in dienst stond van, keizer Rudolf II, die zoals bekend tal van wetenschappers en kunstenaars om zich heen verzamelde.
Johan Radermacher (Rotarius) was koopman, geleerde en kunstminnaar. Hij werd geboren in 1538 in Aken, was van huis uit protestant en overleed in Middelburg in 1617. In 1571 trouwde hij in Londen met Maria Racket, een nicht van Gillis Hooftman, die een van de meest prominente kooplieden van de Scheldestad was. Radermacher kwam in 1555 als koopmansleerling terecht bij Gillis, die zelf afkomtig was van Eupen en dus een streekgenoot was van Johan. Na zijn leertijd vestigde hij zich in 1567 of 1568 in Londen als zelfstandig koopman, tevens factor van Hooftman. In 1568 was hij lidmaat van de Nederlandse en de Italiaanse kerk, in 1569 werd hij verkozen tot ouderling van de Dutch Church, een functie die hij tot zijn vertrek uit Londen in 1580 bleef vervullen. Radermacher was bevriend met de 'Vlaamse Londenaars' Van Meteen en Lucas d'Heere en kreeg in 1578 de opdracht materiaal te verzamelen over de vluchtelingenkerk in Engeland met het oog op een te schrijven geschiedenis der Nederlanden door Marnix. In 1576 kwam hij voor op een lijst van personen die zich verplichtten gedurende drie jaar bij te dragen aan de studiekosten van studenten van de Nederlandse gemeente. Hij keerde in 1580 naar Antwerpen terug, waar hij ouderling was hij de gereformeerde kerk en tijdelijk predikant. Zijn handtekening staat op de akte van reconciliatie die de overgave van Antwerpen in 1585 bezegelde. Hij verliet de stad en vestigde zich vervolgens in zijn geboortestad, die hij in 1589 gedwongen moest verlaten. Hij keerde er nooit terug. Hij voorzag in zijn onderhoud als wijnkoopman in Middelburg, tot enkele jaren voor zijn dood in 1617. Radermacher was een veelzijdige geest, niet alleen een koopman maar een humanist die ook belangstelling opbracht voor de astronomie en de natuurkunde. Hij had contact met verschillende wetenschappers en kunstenaars (uit: VLUCHTELINGEN UIT HET VOORMALIG VLAANDEREN EN HUN KERKEN, Citaten overgenomen uit: 1585, DE VAL VAN ANTWERPEN EN DE UITTOCHT VAN VLAMINGEN EN BRABANDERS EN VOORAL VOOR DE REPUBLIEK door Gustaaf Asaert)
Radermacher kende de gehele entourage van de Antwerpse drukker Plantijn, zoals Maerten de Vos en Gillis Hooftman. Ortelius introduceerde bijvoorbeeld zijn vriend Maerten de Vos bij Hooftman en via deze bij verschillende van Hooftmans kennissen, die vanaf die tijd aan De Vos opdrachten gaven voor schilderijen in hun woonkamers. Voor Gillis Hooftmans eetzaal maakte hij een serie van vijf schilderijen met taferelen uit het bijbelboek Handelingen, waarop een veertigtal personen bedienden, familieleden of vrienden van Hooftman voorstelden. Radermacher had de episodes uitgezocht, doch was voor de uitvoering van de opdracht naar Londen vertrokken. (CBG 1982)

De Kring van Plantijn

Wie behoorden nu eigenlijk tot de zogenaamde Kring van Plantijn en hoe was die tot stand gekomen ? In de talrijke publikaties over deze Kring ligt het accent veelal op de groep medewerkers van Plantijn, die hem hielp zijn beroemde Polyglotbijbel tot stand te brengen.
Philips II zelf gaf er op 25 maart 1568 toestemming en een koninklijke subsidie voor. Van die tijd af gaat een keur van geleerden, kunstenaars en andere medewerkers bij Plantijn in en uit. Velen zullen tot zijn intimi gaan behoren, of waren dat al. De brieven in het archief van het Museum Plantin-Moretus te Antwerpen vermelden vele namen en het is zonder meer duidelijk, dat nagenoeg allen in hun denkbeelden dicht bij of in het Huis der Liefde stonden; zelfs de koninklijke controleur van de bijbel, Arias Montano, de hofkapelaan van koning Philips II, zeker na 1573, toen het in Hendrik Niclaes’ Huis der Liefde tot een afscheiding kwam. Deze leider ging zich hoe langer hoe meer als enige ‘vergode’ profeet gedragen en proclameerde zich als weergekeerde Christus.
Hij wilde het Huis nu ook meer organiseren (met een soort hiërarchie) en tot een zichtbare Kerk maken. Het schijnt dat na de breuk met Niclaes het Huis der Liefde in Antwerpen zich rond Hendrik Jansen van Barrefelt geschaard heeft, die tot zijn dood nooit aspiraties heeft gehad in de zin van Niclaes. In dit tweede Huis der Liefde van de Barrefeltisten of Hiëlisten vormde de Kring van Plantijn in elk geval de unieke kern, waarin spiritualisme en neo-stoïcijnse ideeën met elkaar verweven werden.
Maar hoe zat het met de Plantijnse Kring vóór 1568? Moeten wij dan wellicht niet van de Kring van Ortelius of de (vrienden)kring van Gillis Hooftman spreken ? Zeker is, dat tot die kring onder anderen Joris Hoefnagel, Johan Radermacher, Peter Heyns, Lucas de Heere en Emmanuel van Meteren hoorden. En ook, hoewel nergens expliciet vermeld, Peter Panhuys, die met zijn gezin en dat van Gillis Hooftman samen het huis ‘Pollenaken’ tegenover het Steen bewoonde. Na 1568 kunnen we in Londen van de Kring Radermacher spreken, die zo boeiend door Van Dorsten wordt beschreven. Omdat deze personen voor 1568 veelal in Antwerpen woonden is over hen minder in Plantijns correspondentie te vinden; de contacten zullen meer mondeling dan schriftelijk zijn geweest.
Algemeen wordt aangenomen, dat de aanschaf van een drukpers voor de boekbinder Plantijn, aan het begin van zijn loopbaan in 1555 onmogelijk geweest zou zijn, ware hij niet financieel geholpen door Hendrik Niclaes’ aanhangers. Wellicht is Hooftman een van de medefinanciers geweest, hoewel hij nooit als zodanig wordt vermeld. Het ligt echter duidelijk in zijn lijn. Radermacher schreef in zijn brieven in 1603, dat Gillis Hooftman een grote waardering had voor letterkunde, wetenschappen en kunsten, speciaal die, welke hem bij zijn eigen ondernemingen van nut waren. Geen moeite was hem te veel om op een eerlijke manier winst te maken. Hij kende ongetwufeld de ideeën van Dirck Volkertsz. Coornhert – aanvankelijk ook een aanhanger van Niclaes - die deze neerlegde in zijn: ‘De coopman: aanwijsende d’oprechte conste om Christelijck ende met eenen gelijcken moede in’t winnen ende verliesen coophandel te drijven’. Alastair Hamislton vermoedt dat er meer transacties geweest moeten zijn waarin Niclaes, Plantijn, Radermacher en Hooftman samen geïnteresseerd waren, dan wij met documenten kunnen staven. Wij weten in elk geval van hun gezamenlijke betrokkenheid bij de produktie en export van duizenden Hebreeuwse bijbels naar de Joodse gemeenschappen in Marokko in 1566-1567.
Radermacher spreekt in zijn brieven van zijn hechte vriendschap met Ortelius en Van Meteren. Uit alles wat zo langzamerhand bekend is geworden van de kringen van deze personen en die van Plantijn en Hooftman, wordt duidelijk, dat er al die jaren vanaf ca. 1555 tot na 1590, sprake is geweest van een intieme vriendenkring, die tussen hoop en vrees heeft gewerkt, gediscussieerd, geschreven en gestudeerd. Herhaaldelijk in zicht van confiscatie van goederen, verbanning, gevangenschap en soms zelfs de dood, maar met het oog op een toekomst gericht waarin alles beter zou zijn. Peter Panhuys’ motto op de penning, die hij in 1559 door Steven van Hetwijck liet maken spreekt niet voor niets van ‘En espoir vive’. Ook de keerzijde van Gillis Hooftmans penning uit 1580 spreekt wat dat betreft duidelijke taal: een koopvaarder op een zee met veelbelovende verten, overkoepeld door een lucht waaruit grote stenen regenen. Ook Frans Hogenberg werkte rond 1568 in Engeland, waar hij portretten graveerde van leden van het Britse koninklijk hof voor de zogenaamde ‘Bisschop’s Bijbel’, die in 1568 het licht zag. Hij had een vriendschappelijke band met Abraham Ortelius die een leven lang stand hield en graveerde voor hem vele kaarten voor zijn ‘Theatrum orbis terrarum’, die in 1570 verscheen. In dat jaar ging Frans naar Keulen waar hij een uitgeverij stichtte. Een van zijn medewerkers was Joris Hoefnagel die werkte aan de ‘Civitates orbis terrarum’, die hij samen emt Georg Braun in 1572 publiceerde. (FRANS AND REMIGIUS HOGENBERG, NEW HOLLSTEIN DUTCH Compiled by Ursula Mielke)
De broers Frans en Remigius Hogenberg waren broers die in Mechelen waren geboren, resp. in 1536 en 1540, als zoons van de drukker Nicholaas Hogenberg die voor aartshertogin en landvoogdes Margaretha van Parma werkte. De broers leerden het graveren vermoedelijk van hun stiefvader, de kaartmaker, nadat ze al op jonge leeftijd wees waren geworden.
Remigius leverde de grootste bijdrage aan Saxton’s Atlas. Opvallend is wel dat De Hooghe’s kaart de eerste was die werd vervaardigd. Het is niet uit te sluiten dat het een proefkaart was voor het gehele project. Verder bestonden er nog intensieve vriendschapsbanden tussen Galle, Ortelius, Plantijn en Heyns. Zoals op pagina 244 van Jan Denucé’s ‘De kaartmakers in betrekking met Plantijn’ te lezen is, had Galle de dood van Ortelius gemeld aan zijn naaste verwanten, waaronder Van Meteren. Denucé schaart overigens ook Guarciardini onder de kennissenkring van Plantijn, ofschoon Guarciardini vasthield aan het katholieke geloof en voor zover bekend niets van enige religieuze hervorming of experimenten in de vorm van het Huis der Liefde wilde weten. In ieder geval is duidelijk dat De Hooghe direct of indirect bekend was met vele kaartmakers, vooral met diegenen die in Engeland werkzaam waren.

Behalve links tussen de bovenstaande personen, die uit de bestaande literatuur zijn gehaald, is er ook nog een dubbele verbinding van De Hooghe naar de geschiedschrijver Van Meteren en via hem naar de Bredase kaartmaker en ontwerper van vestingen Johan van den Corput.
Blijkens een Antwerpse notariele akte van 10 juli 1578 deed De Hooghe zaken met Cornelis Ymants van Zuidland wiens moeder Maria Montens was. Maria Montens was een dochter van de invloedrijke Bredase Hendrik Montens (1467-1548). Een halfzuster van Maria was Antonia Montens die trouwde met Johan van den Corput, de vader van de gelijknamige cartograaf. Nicolaas van den Corput, een broer van de cartograaf, was de vader van Ester van den Corput, de vrouw van Van Meteren. Een zuster van Ester, genaamd Cornelie van den Corput, was gehuwd met Joachim Ortel een familielid van de kaartmaker Ortelius. Een broer van Nicolaas, Severijn van den Corput, was een leerling van Mercator en woonde zelfs enige tijd in zijn huis. De meest bekende cartograaf en vestingbouwer Johan van den Corput was dan weer een broer van Nicolaas en Severijn.
Ook de familie Montens moest vanwege de komst van Alva vluchten. Zij kozen ervoor om in 1567 net als Mercator naar Duisburg te vertrekken. De broers Nicolaas, Johan en Severijn van den Corput hadden overigens nog meer broers en zusters, waarvan Elisabeth extra aandacht verdient. Zij was gehuwd met Franciscus Junius. Blijkens de inventarisatie die Karel Bostoen e.a. van de documenten van Rademacher hebben gemaakt, schreef Franciscus Junius op 10 oktober 1570 een liber amoricum dat zich in deze nalatenschap bevindt. (Album Joannis Rotarii (Johan Radermacher). (handschrift 2465 van de Centrale Bibliotheek van de Rijksuniversiteit te Gent.)
De kaartmakers/graveurs uit Breda, Antwerpen en Engeland kenden elkaar daarmee allemaal, voor zover zijn niet verwant waren. De Hooghe kende Jan Radermacher en de Bredase familie Montens, die zowel verwant waren aan Mercator, Van den Corput, Van Meteren, Junius en Ortelius. Ook de broers Van Hogenberg behoorden tot deze groep en het is dus niet verwonderlijk dat De Hooghe en Remigius van Hogenberg samen aan de Elisabeth Atlas hebben gewerkt. Overigens heeft De Hooghe niet alleen in Engeland met deze groep samengewerkt. Het schoonschrijfboek van Clemens Perret dat De Hooghe calligraveerde kwam in 1569 te Breda tot stand, ongetwijfeld dichtbij de families Montens-Van den Corput-Van Zuydland, die aan zijn moeder verwant waren. Ook Perret zelf heeft links naar deze vriendenkring en wel via Plantijn zelf en via de graveur Marc Gheeraerts, die een werknemer was geweest van Philips Galle, de leermeester van Cornelis de Hooghe. Marc Gheeraerts, die beroemd is door zijn kaart van Brugge, werd hofschilder aan het koninklijke hof te Londen, waar ook Clemens Perret werkzaam was.