De rechtzaken van Cornelis de Hooghe

 

Op 17 mei 1575 kocht Cornelis de Hooghe van Jan Carrier 1392 tonnen Normandische pastel (ook genaamd weet of weede). De Hooghe liet deze lading in vier kelders te Veere opslaan. Wanneer de pastel precies werd aangeleverd is niet duidelijk. Er was overigens ook nog geen koper voor. Het lijkt er tevens op dat De Hooghe wel de contacten tot stand bracht, maar niet over voldoende geld beschikte om de pastel te kunnen betalen. Wellicht daarom dat hij de hulp inriep van een tweetal personen, Daniel de Pottere en Otto van Merum.

Op 6 juni 1575 sloot hij met beide heren een contract, dat inhield dat zij aan Jan Carrier 502 pond, 13 sch, 4 gr. Vlaams zouden betalen en daarbij ook extra onkosten.op zich zouden nemen. Wellicht dus dat de lading tussen 17 mei en 6 juni nog niet te Veere was afgeleverd, noch betaald was.

Zou de pastel worden verkocht, dan zouden De Pottere en Van Merum eerst het door hun voorgeschoten geld ontvangen.  Bovendien zouden ze van de winst 1/3 deel krijgen. Bij verlies zouden zij 1/3 deel moeten betalen. De Hooghe zou van de winst blijkbaar 2/3 deel krijgen en 2/3 van het eventuele verlies moeten betalen. De pastel zou, zoals De Hooghe verklaarde, niet zonder medeweten van de anderen verkocht mogen worden.

Direct na het tekenen van het contract vertrok De Hooghe blijkbaar naar Engeland om daar kopers voor de lading pastel te zoeken. Tijdens het verblijf te Engeland verkochten De Pottere en Van Merum evenwel een vrij grote hoeveelheid van de pastel, zonder De Hooghe daarvan op de hoogte te stellen, terwijl De Hooghe op zijn beurt ook een deel van de pastel in Engeland aan het verkopen was, tegen een beduidend hogere prijs.

 

Aan wie De Hooghe zijn pastel in Engeland verkocht is niet vermeld, maar het lijkt erop dat de pastel door De Hooghe aan de Londense zakenman Willem Bernaerdts werd verkocht voor een tamelijk hoge prijs, terwijl Daniel de Pottere en/of Van Merum dezelfde partij te Veere aan Joris Alyn, een gemachtigde van dezelfde Bernaerdts, verkochten voor een veel lagere prijs. De kern van het conflict is immers de hoogte van de prijs en niet het feit dat de lading aan twee verschillende partijen werd verkocht en er aan één van deze partijen niet geleverd zou kunnen worden.  

 

Toen de pastel op het punt stond om naar Engeland verscheept te worden, stak De Hooghe daar een stokje voor. Zoals het zich laat aanzien, stelde hij zich zeer vasthoudend op het standpunt dat hij te Londen een overeenkomst had gesloten met Bernaerdts zelf en dat hij niets te maken had met hetgeen De Pottere en Van Merum achter zijn rug met Joris Alyn waren overeengekomen.

Toen de lading uit de kelders naar de (wellicht drie) schepen waren overgebracht, meende De Hooghe de pastel naar genoegen te Veere te hebben afgeleverd aan Willem Bernaerdt en wenstte door Bernaerdts betaald te worden, voordat de schepen konden uitvaren.

 

De Pottere en Van Merum meenden echter dat het contract dat zij met Joris Alyn hadden afgesloten vigerend was. Zij hadden dan ook volgens hun contract de halve aankoopkosten ontvangen en meenden dat er geen reden was om het uitvaren te beletten. De Hooghe erkende het contract dat met Alijn was afgesloten in het geheel niet. Hij meende dat hij niet betaald was en liet weer beslag leggen op de inmiddels in de schepen aangebrachte lading. Hij liet de betrokkenen arresteren met als voornaamste reden dat de kopers niet aan hun verplichting zouden hebben voldaan. Zij zouden de eerste helft van de koopsom niet aan hem overhandigd hebben.

Alyn, als gemachtigde van Bernaerdt, verklaarde echter deze som aan “de gemachtigden” van De Hooghe te hebben overhandigd, waarmee ongetwijfeld Daniel de Pottere en Van Merum werd bedoeld. De Hooghe liet het er niet bij zitten en liet op z’n minst de drie schippers van de schepen arresteren.

 

Op 5 december begonnen de vermoedelijke schippers van de drie geladen schepen die door De Hooghe gearresteerd waren, Matthijs Pieterss, Gerrit Yemantss en Jan Bruyn te klagen. Door de arrestatie door toedoen van De Hooghe konden zij niet naar Londen afreizen en leden zij “kosten, schaden en interesten”. De zaak kwam enkele dagen later, op 9 december 1575, te Veere voor en het Hof stelde De Hooghe in het ongelijk. Hiermee verklaarde het Hof te Veere dus impliciet het contract tussen De Pottere en Joris Alijn, dat te Veere was afgesloten tegen een lagere prijs boven het te Londen tussen Willem Bernaerdts en De Hooghe afgesloten contract tegen een hogere prijs. Na de uitspraak zal de lading, volledig tegen de zin van De Hooghe toch naar Londen zijn vervoerd.

De crux van de zaak was dus of De Pottere en Van Merum het recht hadden gehad te Veere zonder medeweten van De Hooghe hun lading te verkopen. De Hooghe stelde consequent, dat dit niet het geval was geweest. Hij erkende het contract tussen De Pottere en Alijn op geen enkele manier en wenstte zich ook op geen enkele wijze aan de lagere prijs te confirmeren en voelde zich geen partij in een betaling aan De Pottere en zag het uitvaren van de schepen als pure diefstal waarop alleen een arrestatie het antwoord kon zijn. De Hooghe berekende zijn winst geheel in lijn met zijn eigen aannamen op basis van de prijs die hij te Londen bedongen had. Hiermee zouden De Pottere en Van Merum vanzelfsprekend een groot verlies lijden en om de ramp voor te zijn, vroegen zij te Veere om een scheidsrechterlijke uitspraak omtrent de uitkering van de winst aan De Hooghe.

Deze uitspraak volgde al een maand later in januari 1576. Zoals te verwachten was, erkende De Hooghe ook deze uitspraak niet en bleef zich consequent op het standpunt stellen dat er maar één contract bestond en dat was het contract dat hij te Londen met Willem Bernaerdts had afgesloten. Hij haalde vervolgens de onenigheid met De Pottere uit Veere weg en hevelde alles naar zijn bekende stad Delft over waar hij de zaak voor het Hof van Holland bracht.   

Daar stelde De Pottere, mede namens Van Merum, dat zij wel degelijk de toestemming van De Hooghe hadden gehad om de pastel te verkopen aan Joris Alin en Willem Bernairt, kooplieden te Londen. Welke bewijzen zij daarvoor meenamen is niet bekend. Zij hadden aan deze Londese kooplieden 359 tonnen en acht vaten (ook genaamd cuven) geleverd voor 808 pond 16 sch gr. Vl, waarvan de ene helft meteeen betaald zou worden en de andere helft na zes maanden. Met deze gegevens hadden de door hen gekozen scheidsrechters in januari 1576 de winst op het pastel berekend op 580 pond 9 sch 9p gr. Vl. waarvan De Hooghe recht had op 2/3, wat gelijk stond aan 392 pond 6 sch 6 gr.

Het Hof te Holland kon zich vinden in deze laatste berekening en stelde De Hooghe in het ongelijk en veroordeelde hem tot het betalen van de gerechtskosten.