Cornelis was de vader van Charles en David de Hooch

 

De Hooghe was in 1576 met Marietje Cornelisdochter Tromper, een telg uit een Rotterdams regentengeslacht getrouwd.[1] Na de onthoofding heeft de familie van Marietje zich enige tijd over de kinderen van Cornelis de Hooghe en Marietje Tromper ontfermd. Maar in 1597 zal de opvoeding hun te zwaar zijn geworden en droegen zij de voogdij van de kinderen over aan Maerten Rosa, die te Den Haag een hoge juridische functie bekleedde[2]. In deze akte worden helaas geen namen en geslachten van de kinderen van Cornelis en Marietje genoemd. Het enige houvast is de meervoudsvorm ‘kinderen’.

Te Den Haag is lange tijd een schilder David de Hoogh te vinden, die ook als de schilder David Corneliszoon bekend staat[3]. Als David een zoon Michiel krijgt, genoemd naar de vader van moederkant, blijkt David getrouwd te zijn met een veel jongere vrouw genaamd Maria de Myst, een dochter van procureur Michiel de Myst, een collega van Maerten Rosa[4].

David de Hoogh is de bij liefhebbers van Italianiserende landschappen tamelijk bekende schilder die meestal in één adem met Charles Corneliszoon de Hoogh wordt vermeld, die ook italianiserende landschappen schilderde.[5] Dat zowel David als Charles de kinderen van de opstandige bastaard Cornelis de Hooghe waren, blijkt uit een nieuw gevonden akte, die door David de Hooghe maar ook door Mathieu Dubus en Bernardus La Faille is ondertekend[6]. Mathieu Dubus was ook al een italianiserend landschapsschilder, zodat er over de juiste identiteit van de ondertekenaar David de Hooghe weinig twijfel hoeft te bestaan. Maar de andere ondertekenaar, Bernardus La Faille, is minstens even belangrijk. Hij was een omstreden ‘dienaar des goddelijks woords’ te Den Haag, enerzijds een collega van Johannes Uyttenbogaard, een oom David’s schoonvader[7]. Anderzijds was La Faille een zeer goede vriend van Maerten Rosa. Als Bernardus La Faille bijvoorbeeld een studiebeurs voor zijn zoon nodig heeft, ondertekent Maerten Rosa als eerste een verzoek hiertoe[8]. Hiermee is praktisch zeker dat deze schilderende David Corneliszoon de Hooghe inderdaad een van de pleegkinderen was van Maerten Rosa en daarmee dus een kind van Cornelis de Hooghe. Intrigerend is de voornaam van Charles of Karel de Hooch, die direct lijkt te zijn afgeleid van keizer Karel V, zijn grootvader van vaderskant. 

 



[1] Archief Rotterdam DTB 06-04-1576, huwelijk met Marietje Tromper

[2] Oud Notarieel archief Rotterdam, akte 5 mei 1597: Aeryaen Pietersz Tromper en Dirck Barentsz, voogden over de kinderen van Cornelis de Hooch en Marritgen Cornelisdr Tromper, machtigen Maerten Rosa, procureur, om hun zaken waar te nemen.

Aeryaan Pietersz. was een broer van Marritgen’s grootvader en Dirk Barentsz (Groenhout) was haar grootvader van moederszijde

[3] Bezitters van huizen in Den Haag, ca 1605, het register van het klapwakersgeld, ook genaamd het Haags Klepperboek 1604, fol 16v.

[4] Inschrijving in het Doopregister van de Grote Kerk van Den Haag: 13 november 1644, Michiel de Hooch, ouders Davidt Cornelisz en Maria de Mist.

[5] Marijke C. de Kinkelder schrijft hierover in Oud Holland Jaargang/Volume 110-1996 Nr ¾ Pag 146:....het Utrechtse werk van Charles de Hooch doet vermoeden dat er inderdaad een (familie)relatie bestond,

[6] Akte Oud Notarieel archief Gemeente Archief van ‘s-Gravenhage d.d. 11 januari 1644, 157 fol 298.

[7] Knipscheer in NNBW: FAILLE (Bernardus la) was, toen Wtenbogaert in 1592 predikant te 's Gravenhage werd, één van de drie predikanten in die plaats, en daar gekomen uit Vlaanderen in 1583. Te midden van de moeilijkheden door Wtenbogaert ondervonden, prees deze hem als zeer vredelievend. H.C. Rogge noemt hem ‘gematigd calvinist’ (a.w. I, 76, II 290), J. Tideman ‘Contra-Remonstrant, maar verdraagzaam in zijn gevoelen’ (a.w. 61), geheel anders dan H. Rosaeus, die in 1607 te 's Gravenhage was gekomen. Op 28 Jan. 1611 was hij als afgevaardigde van de Haagsche gemeente te Utrecht waar men zich reeds zeker waande Wtenbogaert als predikant verkregen te hebben. Hij was er met een lid van den Hoogen Raad en van de Rekenkamer om Wtenbogaert voor den Haag te behouden; hetgeen gelukte. Omstreeks dezen tijd verklaarde B. la Faille zich voor het gevoelen der Remonstranten. Hij wist van de vlucht van Wtenbogaert einde Aug. 1618 en stemde daarin toe. Hij is in 1619 ontslagen, en heeft de ‘acte van stilstand’ geteekend.

[8] Beschrijving van ‘s-Gravenhage, Jacob de Riemer,, pag 267, verzoekschrift van Bernardus ondertekend door Maarten Rosa.